Inzet van zzp’ers in de horeca: actuele stand van zaken

In de horecabranche wordt regelmatig gebruikgemaakt van zzp'ers. Snelle inzetbaarheid en flexibiliteit zijn aantrekkelijke voordelen voor horecaondernemers die te maken hebben met wisselende personeelsbehoeftes en seizoenspieken. Wij blogden al eerder over de inzet van zzp'ers in de horeca.

Er kleven (nog steeds) risico's aan het werken met zzp'ers.
Wanneer een zzp'er feitelijk als werknemer functioneert, kan de Belastingdienst de arbeidsrelatie herkwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Dit heeft verstrekkende gevolgen:

  • Fiscaal: correcties, naheffingen en boetes van de Belastingdienst;

  • Arbeidsrechtelijk: de Nederlandse Arbeidsinspectie kan boetes opleggen voor het niet naleven van arbeidsrechtelijke verplichtingen;

  • Civielrechtelijk: de schijnzelfstandige heeft met terugwerkende kracht recht op alle arbeidsrechtelijke bescherming - denk aan loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming en vakantiegeld;

  • Financieel: hogere (onverwachte) kosten en claims achteraf.

 

Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst actief op schijnzelfstandigheid. Dit beleid wordt onverminderd voortgezet. De handhaving lijkt effect te hebben, althans uit cijfers van het CBS blijkt dat het gebruik van zzp'ers in de horecasector is afgenomen. 

Wet DBA en de nieuwe koers: van VBAR naar Zelfstandigenwet

De Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie) is nog steeds van kracht. Deze wet bepaalt wanneer iemand als zelfstandige wordt aangemerkt. De afgelopen jaren bleef het in de praktijk onduidelijk waar de grens precies ligt. Om die onduidelijkheid weg te nemen, diende het kabinet op 7 juli 2025 het wetsvoorstel VBAR (Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelatie en Rechtsvermoeden) in bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel bevatte twee onderdelen:

(i) een verduidelijkingsdeel: wanneer is iemand zelfstandige en wanneer werknemer?

(ii) een rechtsvermoeden: bij een laag uurtarief wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Verduidelijkingsdeel VBAR ingetrokken

Op 6 maart 2026 heeft minister Aartsen van Werk en Participatie bekendgemaakt dat het verduidelijkingsdeel van de VBAR van tafel gaat. Dat deel zorgde voor te veel onrust bij zzp'ers en opdrachtgevers en ontbeerde voldoende politiek draagvlak.

De minister kiest daarmee voor een nieuwe koers: meer rust en duidelijkheid. In zijn woorden: "Het is belangrijk om zelfstandigen en opdrachtgevers duidelijkheid te geven, zodat we voorkomen dat opdrachten onnodig wegvallen."

De weg vrij voor de Zelfstandigenwet

Met het schrappen van het verduidelijkingsdeel maakt het kabinet de weg vrij voor de Zelfstandigenwet. Dit is een afspraak uit het Coalitieakkoord. De Zelfstandigenwet moet zzp'ers een duidelijkere positie en erkenning in de wet geven. Het kabinet werkt hier de komende tijd aan verder.

Geen rangorde tussen beoordelingscriteria

Er zijn meerdere gezichtspunten om te beoordelen of sprake is van een arbeidsrelatie. In de praktijk rees de vraag of aan bepaalde criteria meer gewicht toekomt dan aan andere. De Hoge Raad gaf hierover begin 2025 duidelijkheid in het Uber-arrest: er geldt geen rangorde tussen de beoordelingscriteria. Alle omstandigheden, inclusief het extern ondernemerschap, moeten gelijkwaardig worden meegewogen. Dit uitgangspunt blijft ook onder de nieuwe koers van kracht.

Rechtsvermoeden bij laag uurtarief: € 38 per uur

Het rechtsvermoeden van werknemerschap (het tweede onderdeel van het wetsvoorstel VBAR) blijft wél bestaan. Het kabinet wil dit deel juist zo snel mogelijk invoeren. Verdient een opdrachtnemer minder dan € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026), dan wordt vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De bewijslast verschuift dan naar de opdrachtgever: die moet aantonen dat er géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. Slaagt de opdrachtgever daar niet in, dan is de zzp'er in feite een schijnzelfstandige en heeft hij of zij recht op alle bescherming die hoort bij een arbeidsovereenkomst.

 

Let op: In eerdere versies van het wetsvoorstel lag de grens achtereenvolgens op € 33 en € 36 per uur. De huidige grens van € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026) is de meest recente stand van zaken. Voor de horecasector waar uurtarieven van zzp'ers regelmatig in de buurt van dit bedrag liggen, is dit een relevant aandachtspunt. 

Wat betekent dit voor u als horecaondernemer?

De politieke en juridische ontwikkelingen rondom zzp-inzet volgen elkaar snel op. De kernpunten voor horecaondernemers zijn:

  • Handhaving gaat door: de Belastingdienst blijft actief handhaven op schijnzelfstandigheid;

  • Het verduidelijkingsdeel van VBAR vervalt: de beoordeling van arbeidsrelaties blijft vooralsnog gebaseerd op de Wet DBA en de jurisprudentie (waaronder het Uber-arrest);

  • Het rechtsvermoeden komt er wél: bij een uurtarief onder € 38 verschuift de bewijslast naar de opdrachtgever;

  • De Zelfstandigenwet is in de maak: zodra meer duidelijk is over de inhoud en het tijdpad, informeren wij u hierover.

 

Wij adviseren u dan ook de overeenkomsten met zzp'ers (opnieuw) te laten beoordelen in het licht van de huidige stand van wetgeving en jurisprudentie.

 

Heeft u vragen over de inzet van zzp'ers in uw onderneming of wilt u uw arbeidsrelaties laten toetsen? Neem dan contact op met onze specialisten.

 

Meester Advocaten volgt de ontwikkelingen op dit terrein op de voet en houdt u op de hoogte.

Volgende
Volgende

Rechtsvermoeden arbeidsomvang: waarop moet u letten?